Kennisbank
GVM-maatregelen
GVM-maatregelen betekenen extra toezicht in detentie. Lees wanneer ze mogen worden opgelegd, hoe herbeoordeling werkt en waartegen u kunt klagen.
GVM staat voor gedetineerden met een vlucht- en/of maatschappelijk risico. Bij deze gedetineerden kunnen extra toezicht en beperkingen worden ingezet om de veiligheid binnen de gevangenis en daarbuiten te beschermen. Een GVM-status betekent niet dat iedere beperking automatisch gerechtvaardigd is: de directeur moet zelf beoordelen welke maatregelen noodzakelijk zijn.
GVM in het gevangeniswezen
Sinds 1 november 2025 geldt een nieuwe circulaire over GVM. Een circulaire bevat beleidsregels voor de uitvoering. Deze vervangt het beleid van 8 juli 2021 en onderscheidt twee groepen:
- Risicogedetineerden (RG): gedetineerden bij wie bepaalde veiligheidsrisico’s worden vastgesteld en voor wie mogelijk extra toezicht nodig is.
- Hoogrisicogedetineerden (HRG): gedetineerden die vanwege hoge veiligheidsrisico’s in een bijzondere inrichting of afdeling met een uitgebreid of extra beveiligingsniveau worden geplaatst.
Er zijn verschillende beslissingen te onderscheiden: het vaststellen van het risicoprofiel, de plaatsing in een inrichting of afdeling en het opleggen van concrete toezichtmaatregelen. Die beslissingen worden niet allemaal door dezelfde functionaris genomen.
Wanneer kunt u als risicogedetineerde worden aangemerkt?
De volgende omstandigheden kunnen afzonderlijk of samen aanleiding geven voor een RG-status:
- gevaar voor ontsnapping of bevrijding door mensen van buiten de inrichting;
- vermoedens dat iemand vanuit detentie doorgaat met criminele activiteiten;
- risico op liquidatie of bedreiging, gericht tegen de gedetineerde of juist afkomstig van de gedetineerde;
- gevaar voor het verspreiden van extremistische denkbeelden;
- gedrag dat het gezag van directie en personeel ondermijnt;
- ongeoorloofde contacten met slachtoffers, nabestaanden, medewerkers binnen de strafrechts- of executieketen, of media, en zichtbaarheid op sociale media;
- verdenking van of veroordeling voor een strafbaar feit dat grote maatschappelijke verontwaardiging en onrust en een geschokte rechtsorde heeft veroorzaakt.
Het beleid ziet dus ook op bescherming van de gedetineerde zelf. Niet alleen het risico dat iemand anderen iets aandoet, kan een rol spelen.
De persoonlijke beoordeling
Bij de beoordeling telt de levensloop van de gedetineerde mee. Er wordt gekeken naar drie onderdelen:
- Motivering: onder meer het strafrestant, eventuele vervolgstraffen, uitzetting, de sociale omgeving, het criminele verleden en signalen van voortzetting daarvan. Ook eerdere ontsnappingspogingen, bedreigingen, extremistische uitingen en ongewenste contacten kunnen meewegen.
- Middelen: bijvoorbeeld geld en een netwerk waarmee een risico werkelijkheid kan worden.
- Macht: de positie, rol en status binnen een criminele organisatie of samenwerkingsverband. Ook iemands positie binnen de inrichting kan hiervoor aanwijzingen geven.
Een algemene verwijzing naar criminaliteit vervangt deze individuele beoordeling niet.
Wie bepaalt uw risicoprofiel en plaatsing?
Selectiefunctionaris, GRIP en ORG
De selectiefunctionaris legt bij de eerste plaatsing in detentie een risicoprofiel vast. Artikel 22 van de Regeling selectie, plaatsing en overplaatsing van gedetineerden (Rspog) vormt hiervoor de basis. Daarbij wordt onder meer informatie van het Openbaar Ministerie en het Gedetineerden Recherche Informatie Punt (GRIP) gebruikt.
GRIP is onderdeel van de Landelijke Eenheid van de politie. Het verzamelt informatie uit verschillende bronnen en verbindt de informatievoorziening van politie, DJI en het Openbaar Ministerie.
Het landelijke Overleg Risico-gedetineerden (ORG) beoordeelt risico’s die van een gedetineerde uitgaan én risico’s waaraan diegene wordt blootgesteld. Het adviseert over het risicoprofiel, de geschikte inrichting en noodzakelijke toezichtmaatregelen. Daarbij tellen ook ongewenste combinaties van gedetineerden mee.
In het ORG zitten, naast een voorzitter en secretaris, vertegenwoordigers van het Landelijk Bureau Inlichtingen en Veiligheid, DIZ, GRIP en het Openbaar Ministerie, en twee directeuren van uitgebreid of extra beveiligde inrichtingen. Het overleg werkt in opdracht van de divisiedirecteuren GW/VB.
De selectiefunctionaris beslist namens de minister over het risicoprofiel en maakt daarvoor een individuele belangenafweging. De plaatsing vindt plaats op grond van artikelen 24 en 25 Rspog.
Waar verblijven RG en HRG?
Een RG-status sluit verblijf in een normaal beveiligde inrichting of op een beperkt beveiligde afdeling niet uit. Extra plaatselijk toezicht kan daar voldoende zijn.
HRG worden geplaatst in een bijzondere omgeving, met voorzieningen en beveiliging die op de risico’s zijn afgestemd. Het gaat om:
- een Afdeling voor Intensief Toezicht (AIT);
- een afdeling voor beheersproblematische gedetineerden (BPG);
- een terroristenafdeling (TA);
- een daarvoor bestemd deel van een Penitentiair Psychiatrisch Centrum (PPC);
- de Extra Beveiligde Inrichting (EBI).
De gedetineerde moet voldoen aan de plaatsingscriteria van de betreffende inrichting of afdeling. De selectiefunctionaris beslist, eventueel na advies van het ORG en de selectie-adviescommissie AIT/EBI. Na plaatsing wordt het toezicht op HRG in andere overleggen dan het ORG besproken.
Welke GVM-maatregelen mag de directeur opleggen?
De directeur beslist over de concrete maatregelen. Het ORG-advies weegt zwaar, maar ontslaat de directeur niet van een eigen beoordeling.
De bevoegdheden komen onder meer uit de Penitentiaire beginselenwet (Pbw). Artikel 3 Pbw betreft de verantwoordelijkheid voor het beheer van de inrichting. Artikel 5 lid 3 Pbw geeft de directeur de bevoegdheid bevelen te geven voor de orde en veiligheid.
Mogelijke maatregelen betreffen onder andere:
- toezicht op contact met de buitenwereld;
- het niet toestaan van bezoek zonder toezicht;
- plaatsing op een bepaalde afdeling;
- ongeschiktheid voor verblijf in een meerpersoonscel;
- beperkingen van de bewegingsvrijheid binnen de inrichting;
- ordemaatregelen.
De directeur moet zorgen voor een samenhangend geheel van noodzakelijke maatregelen, de uitvoering daarvan en rapportage over de werking ervan.
Horen, motiveren en schriftelijk meedelen
Bij de besluitvorming gelden onder meer de waarborgen uit hoofdstuk tien Pbw. De directeur moet u vooraf horen: u krijgt gelegenheid uw standpunt te geven voordat het besluit wordt genomen. Waar de wet dat verlangt, moet het besluit een overtuigende motivering bevatten. U krijgt schriftelijk bericht over de opgelegde maatregelen.
De afweging moet gaan over uw persoonlijke situatie. Van belang zijn de samenhang tussen het risico en de gekozen beperkingen, uw gedrag en de feitelijke omstandigheden in de inrichting. Ook moet de directeur in een beklag- of beroepsprocedure inhoudelijk reageren op uw bezwaren.
Herbeoordeling en overplaatsing
RG worden na 3, 6 of 12 maanden opnieuw in het ORG beoordeeld. Daarbij wordt bekeken of de maatregelen werken, of verdere monitoring nodig is en of de maatregelen moeten worden voortgezet. Voor HRG in de AIT, TA, BPG, PPC en EBI bestaan afzonderlijke overleggen.
Is een maandelijkse toetsing verplicht?
Over maandelijkse toetsing zijn onder het eerdere beleid verschillende uitspraken gedaan. Op 5 mei 2022 oordeelde een beklagcommissie dat de directeur na de beleidswijziging van 2021 niet meer verplicht was maandelijks een inzichtelijke belangenafweging te maken en de gedetineerde daarvoor te horen of schriftelijk te informeren (KC2022/015).
Een andere beklagcommissie kwam op 1 augustus 2022 tot een ander oordeel. Zij vond dat de rechtspraak nog steeds een maandelijkse, inzichtelijke afweging verlangde. Het ontbreken van horen en schriftelijke informatie leidde daar tot een gegronde klacht, zonder tegemoetkoming (KC2022/023). Deze oudere uitspraken moeten worden onderscheiden van de huidige herbeoordeling door het ORG.
Een andere inrichting moet zelf beslissen
Volgens de RSJ is het overnemen van bestaande GVM-maatregelen na overplaatsing een nieuwe beslissing, ook wanneer niets aan de maatregelen verandert. De nieuwe directeur moet u vooraf horen en zelfstandig uw belangen afwegen. Tegen die beslissing kunt u klagen (RSJ 3 februari 2023, 22/26660/GA).
Klagen over GVM-maatregelen
Tegen de toekenning van de RG- of HRG-status door de selectiefunctionaris staat geen bezwaar of beroep open. Tegen de concrete toezichtmaatregelen van de directeur kunt u wel beklag instellen op grond van artikel 60 Pbw. Over die maatregelen is ook beroep mogelijk.
Bij de beoordeling staat centraal of de directeur de juiste belangen heeft gewogen en of de beperkingen redelijk en billijk zijn. Dat betekent dat de maatregelen, gezien de feitelijke omstandigheden, gerechtvaardigd moeten zijn. De RSJ heeft klachten gegrond verklaard en schorsingsverzoeken toegewezen wanneer bijvoorbeeld een persoonlijke afweging of het vooraf horen ontbrak.
Relevante uitspraken hierover zijn RSJ 1 augustus 2024, 23/38160/GA en 23/38229/GA, en RSJ 8 april 2026, 25/46170/GA. Bij een gegronde klacht over toezichtmaatregelen kent de beroepscommissie meestal een tegemoetkoming van €50 toe. Dit is geen gegarandeerd bedrag.
Wat laat de rechtspraak zien?
Een dreiging hoeft niet zichtbaar tot een incident te hebben geleid. Op 19 maart 2025 bleef een verlenging in stand omdat GRIP-informatie nog op een aanwezige, maar niet direct zichtbare dreiging wees. De gedetineerde was vooraf gehoord en de directeur had zelf de veiligheidsbelangen tegen zijn belangen afgewogen (KC2025/012).
De beoordeling kan in beroep anders uitvallen. In KC2023/025 vond de beklagcommissie de informatie over liquidatiegevaar onvoldoende concreet en kende zij €100 toe. De beroepscommissie vond een reëel, voortdurend gevaar wél aannemelijk, ondanks het ontbreken van een concreet bij het Openbaar Ministerie bekend gevaar. Het beroep van de directeur slaagde.
De afweging moet controleerbaar zijn. In KC2019/008 ontbrak voldoende inzicht in de GRIP-informatie, het standpunt van de directeur en de informatie van de gedetineerde. De klacht slaagde en er volgde €35 tegemoetkoming. Ook oudere uitspraken over afzondering en verlengingen benadrukken de noodzaak van een schriftelijk vastgelegde, individuele beoordeling.
Een interne risicolijst is geen zelfstandige rechtvaardiging voor beperkingen. Extra celinspecties mochten niet uitsluitend voortvloeien uit vermelding op een interne GBR-lijst zonder aanvullende motivering (KC2017/030).
Bescherming kan ook aanpassing van bezoek vragen. Een weigering van individueel bezoek in een aparte ruimte was onvoldoende onderbouwd. De gedetineerde had uit angst geen regulier bezoek ontvangen. Zijn klacht slaagde, met €150 tegemoetkoming (KC2021/019).
Naar de civiele rechter over de GVM-status
In verschillende zaken hebben gedetineerden de civiele rechter gevraagd hun vermelding op de GVM-lijst ongedaan te maken. De toetsing in kort geding is terughoudend: de rechter beoordeelt of de beslissing redelijkerwijs genomen kon worden.
In ECLI:NL:RBDHA:2022:6674 moest de plaatsing worden teruggedraaid. Het gestelde langdurige onderduiken was onvoldoende onderbouwd: de autoriteiten kenden het buitenlandse verblijfadres en de gedetineerde gebruikte zijn eigen naam en paspoort. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat hij vaker dan eenmalig met de telefoonkaart van een ander had gebeld.
In ECLI:NL:RBDHA:2024:2169 bleef de status juist bestaan. Informatie over vlucht- en bevrijdingsplannen, een crimineel netwerk en financiële middelen droeg de beslissing. Dat zich gedurende twee jaar geen incidenten hadden voorgedaan, betekende niet dat het risico verdwenen was.
Andere uitspraken geven aanvullende aanknopingspunten:
- Wraakdreiging kan een grond zijn: gevaar voor de gedetineerde zelf kan een maatschappelijk risico opleveren (ECLI:NL:RBDHA:2018:5403).
- Buitenlandse informatie kan meetellen: informatie van buitenlandse autoriteiten rechtvaardigde aanvankelijk plaatsing, maar kon die niet blijvend dragen (ECLI:NL:RBDHA:2017:8014).
- Risico is niet hetzelfde als bewezen criminaliteit: concrete aanwijzingen voor voortgezet crimineel handelen kunnen voldoende zijn. Dat speelde bij aangetroffen digitale communicatiemiddelen en contacten vanuit detentie (ECLI:NL:RBDHA:2015:15920 en de hofuitspraak uit 2020).
Wat betekent dit voor u?
Richt uw bezwaren op de concrete beslissing en de gevolgen voor uw dagelijks leven:
- Controleer de schriftelijke mededeling. Welke maatregelen gelden en welk risico moet iedere maatregel beperken?
- Geef uw persoonlijke omstandigheden door. Benoem uw gedrag, eventuele onjuiste informatie en de gevolgen voor bezoek en familiecontact.
- Let op het horen. Uw standpunt moet vóór de beslissing kunnen worden meegewogen, niet pas nadat de uitkomst vaststaat.
- Vraag bij verlenging naar de actuele noodzaak. Het uitblijven van incidenten beëindigt maatregelen niet automatisch, maar de voortzetting moet wel worden gedragen door een passende afweging.
- Controleer na overplaatsing of opnieuw is beslist. De nieuwe directeur mag niet volstaan met automatisch voortzetten.
Maak daarbij steeds onderscheid tussen uw risicostatus en de maatregelen die de directeur oplegt. Voor het aanvechten daarvan gelden verschillende mogelijkheden.
Let op
Deze pagina is geschreven vanuit de expertise van Mr. S.P.C. (Stan) Broekmans, gespecialiseerd in detentierecht bij Hameleers Antonides Advocaten. Heeft u een vraag over uw eigen situatie? Neem dan contact op; een eerste inschatting kost u niets.
Vragen over uw situatie?
Bel voor een gratis eerste inschatting of laat uw gegevens achter; u wordt zo snel mogelijk teruggebeld door een advocaat die gespecialiseerd is in detentierecht.